Danny Olievier – Kantwerk
Kantklossen is een textieltechniek waarbij draden met behulp van klosjes en spelden tot een opengewerkt patroon worden gevlochten. De basis bestaat uit een kantkussen, een prikpatroon, spelden, garen en klosjes waarop de draden zijn opgewonden.
Het patroon wordt op papier geprikt en op het kussen bevestigd. De spelden markeren de punten waar de draden van richting veranderen of elkaar fixeren. De klosjes worden altijd in paren gebruikt, die over het gehele werk bij elkaar blijven. Die paren worden systematisch gekruist en gedraaid volgens een vast schema.
De belangrijkste basisbewegingen zijn:
- Kruisen: twee middelste draden wisselen van plaats.
- Wringen of draaien: twee draden binnen hetzelfde paar worden om elkaar heen gedraaid.
- Opspelden: een speld houdt een kruising tijdelijk vast zodat de structuur behouden blijft.
Door combinaties van kruisen en wringen ontstaan verschillende slagen en structuren, zoals halve slag, linnenslag of gewrongen slag. Daarmee kunnen dichtere of meer open delen worden gemaakt.
De werkwijze verloopt meestal van boven naar beneden volgens het patroon. Nieuwe spelden worden geplaatst terwijl eerdere spelden soms verwijderd worden zodra het werk voldoende stabiel is. De spanning van de draden moet voortdurend gelijk blijven om een regelmatig resultaat te krijgen.
Verschillende soorten kanten kregen een naam naargelang de tekening die erin voorkomt: 't pastershoedje, den aap, d'hoge brugge, het pinnetje, het sluffertje, en aap met den dru(i)vetros, ’t herte, etc.
Binnen deze eeuwenoude traditie past het verhaal van Danny Olievier als een speld in het kussen. De grootmoeder van Danny’s grootvader, Barbara Parmentier, is in 1845 al bezig met kantklossen. De patronen waarmee zij haar kantwerk vervaardigde zitten nog steeds in zijn familie. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, want wanneer Danny zijn grootmoeder iedere dag vliegensvlug ziet ‘spellewerken’ (verwijzend naar de vele kopspelden die in een kussen worden geprikt om het kantpatroon vast te houden) is ook hij niet meer te houden. Op elfjarige leeftijd vervaardigt hij zelf stokjes om zijn eerste kantwerkje te maken. Zijn grootmoeder voorziet hem al snel van echte klosjes en goede raad. Zij heeft nog leren kantklossen op de spellewerkschole te Wevelgem op de oude manier, vóór de Brugse kantschool het kantklossen zou standaardiseren. Dat is dus nog zonder de basistechniek van kruisen en wringen (draaien) en zonder kleurcodes. Daarom werkt ook Danny nog volgens die ‘oude’ techniek die hetzelfde resultaat oplevert maar een andere manier van denken vereist. Nog voor het afwerken van een bepaalde slag is hij reeds aan een andere bezig. Ook zijn tante is met kantwerk bezig en leert Danny verscheidene complexe slagen aan.
Iedere dag in de luwte van de morgen staat Danny op rond vijf uur om zich te verdiepen in het kantwerk. Hoewel de mathematische ritmiek van het kantklossen alle ruis van de omgeving doet vergeten verkiest hij te werken in stilte bij opkomende zon. Danny werkt vaak met atypische dikke ecrukleurige vlasdraad, dat haast contrasteert met de vereiste fijne handelingen. Ondertussen is hij (ook over de plas) bekend voor kantwerken van enorme schaal. Het lijkt erop dat hij aan steeds complexere werken begint. Vaak wordt er geklost met vier draden per speld, maar bij Danny is dat niet zelden acht. Vier- tot zeshonderd klossen per werk zijn voor hem geen uitzondering. Het resultaat, vaak na ettelijke jaren van jaren noeste (ochtend)arbeid, is indrukwekkend kantwerk van tientallen meters.